11-02-2010
De Tabernakel naar Frans Guyana en Galibi
Een stagiaire die via Fans Guyana naar Holland moet; een zendeling in St.
Laurant (Fr) die om nog een paar kalenders vraagt, alsmede kleine groepen
gelovigen die graag de tabernakel willen zien; ziedaar voldoende redenen om
vanuit Paramaribo een reis in oostelijke richting te maken. In de vroege
vrijdagochtend bij het eerste morgenlicht gaan we (Gerrit Roorda en Henk
Wassink) vol goede moed op weg en laten de stad achter ons. Gerrit heeft
zijn stagetijd er op zitten en zal via Cayenne naar Parijs vliegen en
vandaaruit naar Amsterdam reizen. Onderweg naar Albina regel ik alvast
telefonisch de oversteek over de Marowijne rivier. Broeder Roy Allawinsi zal
ons opwachten bij de douane. We bereiken Albina juist op het moment dat een
lijkwagen met politie begeleiding ons tegemoet komt. Bij de douanepost
aangekomen verspreidt zich op dat moment een grote groep mensen. Zij zijn
samengestroomd om hun dode de laatste eer te bewijzen nu het lichaam voor
sectie naar de hoofdstad wordt vervoerd. De man heeft het leven gelaten bij
de rellen in het grensplaatsje Albina, welke voor wereldnieuws heeft
gezorgd!
Na de plichtplegingen bij de douane mag ik de auto op het terrein van de
Militaire Politie achterlaten. Tijdens mijn afwezigheid zullen zij erop
letten. Donkere wolken komen boven de rivier opzetten. Als we net met al
onze spullen in de boot zitten breekt een hevig noodweer los. In een
gietende hoosbui steken we van wal en maken de overtocht. De enige die
kletsnat wordt is onze bootsman, wij zitten met ons pakgoed gelukkig droog
onder de kap. Aan de Franse kant verloopt de controle bij de douane
vlekkeloos en we worden in St. Laurent aan land gezet op een paar honderd
meter van de woning van de zendeling, die ons hartelijk ontvangt. Onze oude
broeder Henk Kreuger is blij met de kalenders en kan nu nog enkele
Nederlands sprekende mensen voorzien van Het Goede Zaad. Samen met hem breng
ik Gerrit naar het 'busstation' waar we afscheid nemen.
De
volgende dag word ik opgehaald door br. Robbie Draaibas. We laden al onze
spullen in de boot en vertrekken, eerst terug naar Albina om olie te kopen
om daarna de tocht over het water naar Galibi te vervolgen. Goed en wel
onderweg ontdek ik dat ik een tas mis. Waar kan die gebleven zijn? Er zit
niets anders op dan terug te varen naar St. Laurant, misschien staat hij nog
op het strand. Bij aankomst daar zien we hem staan op de plek naast de trap
(zie foto) waar veel mensen gebruik van maken. Met een dankbaar hart word de
tas weer bij de bagage toegevoegd. Hoe dichter we bij de monding van de
rivier komen hoe onstuimiger het water wordt. Je bent dan ook dankbaar
wanneer je opnieuw vaste grond onder je voeten vindt!
Zondagmorgen zitten we met 4 man in de boot en steken opnieuw over naar de
Franse kant. De tabernakel stevig ingepakt tegen het woelige zeewater.
Halverwege krijgen we onverwachts bezoek. Een vis is door het opspattende
water in onze boot terecht gekomen en kronkelt aan mijn voeten. Het arme
dier voelt zich echt niet op zijn gemak en krijgt zijn vrijheid terug en
verdwijnt in het zilte nat. Als er geen haven is en je wilt aan land dan
moet je de boot een beetje uit het water op de kant trekken. Zo vergaat het
ons bij aankomst op het strand, waar wij ons ook ter plekke hebben omgekleed
voor de samenkomst. De
bijeenkomst wordt gehouden in een pinahut, er zijn zo'n 25 mensen aanwezig.
Met aandacht wordt er geluisterd naar het woord, nadat er eerst met eerbied
in het Karaibs gezongen is. Na afloop wordt er geen koffie geschonken, maar
er is kasiri, een pittig indiaanse drank! Als we weer bij de boot aankomen,
blijkt deze geheel op het droge te liggen! Met man en macht, centimeter na
centimeter, duwen, trekken, tillen en wrikken krijgen we het vaartuig in het
water en koersen we op Galibi aan.
De volgende dag 's avonds staat er een presentatie op het programma in een
kerkje aan de andere kant van het dorp. We zetten de tabernakel met
toebehoren in de kruiwagen (hét dorpsvervoermiddel voor vracht) en gaan
lopen; een klein half uur sjouwen we door het mulle zand; het is vermoeiend
en daarbij gaan mijn gedachten naar de Israëlieten in de woestijn, die het
veel zwaarder moeten hebben gehad. Als alles mooi opgesteld staat kom ik tot
de ontdekking dat ik mijn Bijbel niet bij me heb, maar een zuster bied mij
een exemplaar aan. Alles zal dan wel weer vlot verlopen denk ik, maar daarin
vergis mij. De beamer die mooie vergrotingen van de diverse voorwerpen op
het scherm zet, laat het plotseling afweten. Na een paar minuten heb ik weer
beeld, dat gaat zo de hele avond door. Men wijdt het euvel aan de lage
stroomspanning van de dorpsgenerator. Maar ik betwijfel dat. Hoe was mijn
voorbereiding voor deze avond, vraag ik mij in stilte af. Zou dat er iets
mee te maken kunnen hebben? Ondanks de onderbrekingen wordt de presentatie
intensief bekeken en beluisterd. Na afloop lopen we onder een prachtige
sterrenhemel naar huis. Om elf uur wordt de generator stopgezet en gaan alle
lichten in het dorp uit, maar de lichten aan het firmament stralen dan des
te helderder. Bij God gaat het licht nooit uit!
Een dag later ontmoeten we de voorganger van een andere gemeente. Als hij
hoort wat ik ben komen doen, nodigt hij mij meteen uit om diezelfde avond
met de tabernakel in de gemeente te komen! Die reaktie had ik niet verwacht,
maar ik ben blij met deze extra kans de tabernakel weer op te zetten. De
gemeenteleden zal hij een bericht sturen en uitnodigen. 's Avonds opnieuw al
kruiend door het mulle zand, maar niet zo lang. Er zijn al een paar mensen
aanwezig en als ik alles opgesteld heb is er nog gelegenheid om oude foto's
van het dorp en de inwoners op het scherm te laten zien. Dat geeft soms
hilariteit, maar het trekt mensen. De zitruimte is nagenoeg geheel bezet en
ik zie dat er ook nog toeschouwers in het donker buiten staan. Zij houden
zich een beetje schuil, maar willen toch alles meemaken. De boodschap wordt
vertaald in het Karaibs en dan moet je wel veel geduld hebben voordat jouw
zin is vertaald. Tot mijn grote vreugde werkt de beamer perfect. Op de
terugweg naar huis duwt br. Robbie de kruiwagen en mag ik dankbaar naast hem
meelopen.
De volgende morgen in alle vroegte als de sterren nog hoog aan de hemel
staan verlaten we Galibi vanaf het strand om met de boot richting Albina te
gaan. Het water is kalm en als de eerste stralen van de zon zich aandienen
verbleken de sterren aan de hemel. Een nieuwe dag breekt aan, een majestueus
gezicht vanaf het water! In Albina is er goed op de auto gelet en laden we
alle spullen over en neem ik afscheid van mijn Indiaanse broeder Robbie.
Blij dat het allemaal zo voorspoedig is gegaan, rijd ik richting Paramaribo.
Na 25 km hoor ik een daverende knal en ja hoor het is goed raak; de
rechterachterband heeft het begeven, de stukken liggen achter mij op straat.
Het is een stil stuk weg en rondom alleen maar groen, geen huis te zien. Een
eind terug zie ik even een hoofd uit het groen verschijnen, waarschijnlijk
benieuwd naar de oorzaak van de knal, maar verdwijnt toch weer. Snel aan de
slag zodat ik verder kan. Onderwijl passeren er een paar auto's,
ongetwijfeld denken de bestuurders 'hij redt het wel'. De klus is gauw
geklaard en ik kan ook weer het stuur ter hand nemen en mijn weg naar
Paramaribo vervolgen. Moe maar voldaan kom ik enkele uren later bij Anneke
aan.
|
|
23-05-2009
ATJONI,
en het KinderBoekenFestival
Met een volgeladen auto met spullen voor de stand op het
kinderboekenfestival en ook nog wat dozen met kleding die onderweg afgegeven
zouden worden, vertrok ik (red: Henk Wassink) met zonsopgang vanuit Paramaribo om de rit naar
Atjoni te volbrengen, een afstand van 170 km naar het binnenland van
Suriname. Men had mij aangeraden een speer mee te nemen, niet bedoeld om
wegpiraten van het lijf te houden maar het is hier de benaming voor een
extra reservewiel. Onderweg werd nog een zuster opgehaald die de rit zou
meemaken en alle dagen zou assisteren in de boekenstand. De eerste 50 km
ging redelijk vlug maar toen verlieten we het asfalt en begon de barre tocht
over een weg die gereconditieoneerd wordt. Onze snelheid liep terug, een
wandelaar zou ons met gemak kunnen bijhouden, en zelf voorbij gaan! Na veel
geschud en gehobbel kwamen bij het dorp Brokopondo op een stuk asfalt en ja
hoor, daar kregen we een 'boro banti' (lekke band). Gelukkig op het mooie
asfaltgedeelte dus was de klus snel geklaard. We konden daar in het dorp de
kledinglading lossen en vervolgden vol goede moed weer onze jungletocht..
Het moet gezegd worden wanneer je niet snel kan rijden kan je veel meer van
de omgeving genieten en de gaten en oneffenheden op je pad komen niet zo
snel op je af, maar ze waren er wel, niet te tellen.
Bij aankomst in Atjoni was het festivalterrein gemakkelijk te vinden want
ter plaatse houdt de weg op en gaat het vervoer verder per korjaal. Op het
terrein werd ik opmerkzaam gemaakt dat een van mijn banden aan het leeglopen
was. Geen nood dacht ik, gewoon ter plaatse laten oppompen. Maar bij navraag
bleek die mogelijkheid niet te bestaan, wel 75 km terug! Gelukkig vond ik de
volgende morgen een truck chauffeur die mij aan lucht hielp. Opgelucht
konden we die dag de kinderen opwachten die per korjaal zouden arriveren en
die we in de stand zouden krijgen. Een kleurrijk gezicht om de boten te zien
aanmeren en de kinderen nieuwsgierig rondkijkend en vol verwachting en zeer
gediciplineerd het terrein op te zien komen.
Het thema was: 'Luister goed, wees soms ook stil, en ontdek wat de ander
zeggen wil'. Naast de boekentafel hadden wij een blikvanger opgesteld. Deze
bestond uit een poppekop, waar uit de mond water kwam en dat werd opgevangen
in een bamboebuis. Als de buis vol was kiepte dat gedeelte naar beneden
zodat de buis leegliep en viel door zijn tegengewicht weer terug in de oude
positie om opnieuw vol te lopen. Deze konstante beweging trok de nodige
aandacht en je zag de vragen op de gezichten hoe dat nou mogelijk was. De
les die we zichtbaar probeerden te maken werd heel goed begrepen. Als ik
vroeg wat er uit mijn mond kwam dan was het antwoord: 'geluid of woorden'.
Dat geluid ging in andermans oren en als men de woorden had begrepen, kond
het gehoorde weer doorgegeven worden aan een ander.
Daarop volgde het verhaal van de jonge Samuel. Hij moest leren luisteren
naar de stem van God. Als ik de jeugdige toehoorders vroeg of je de stem van
God vandaag ook nog kon horen kreeg ik meestal een negatief antwoord. Als
daarna de Bijbel te voorschijn kwam dan begrepen ze dat we God wel konden
horen door simpel Zijn Woord te openen en te gaan lezen Het evangelie kon
daarna mooi aansluitend worden verteld. De tweede dag kwam een leraar de
stand binnen en toen hij het allemaal overzien had zei hij: 'Ik ben hier
deze week met een groep studenten van de kweekschool en zij moeten dit
beslist komen zien.' De hele groep werd bij elkaar geroepen en de
boodschap werd aan deze toekomstige leerkrachten uitgelegd.
Op de dag van vertrek kwam de opruimploeg en één van die jongens riep mijn
naam. Hij vroeg of ik hem nog herkende van vroeger. En prompt begon hij de
bijbelboeken uit het hoofd op te zeggen. Dat had hij moeten leren toen hij
nog op school zat en wij met lektuur zijn school bezochten. Dat was een
leuke ontmoeting en ook een fijne bemoediging dat het zaad dat eenmaal
gezaaid was goede voedingsbodem had gevonden. 'Zaai uw zaad in de
morgen en laat uw hand tegen de avond niet rusten, want u weet niet of het
ene gelukken zal of het andere, dan wel of beide tezamen goed zullen
zijn.' Prediker 11 vers 6.
|
|
|
|
|
| |
|